
Zelf denk ik dit ook als er zo’n slagroomtaart op tafel komt. Maar ik laat het niet merken.
Die aap is dwars door alle evoluties en beschavingen heen lekker zichzelf gebleven.

Zelf denk ik dit ook als er zo’n slagroomtaart op tafel komt. Maar ik laat het niet merken.
Die aap is dwars door alle evoluties en beschavingen heen lekker zichzelf gebleven.
Gisteravond, een uurtje of tien.
Ik zit met mijn beker warme chocolademelk lekker onderuit gezakt op de bank, als plotseling, zo’n 30 centimeter van mijn linkeroor, een door merg en been gaande schreeuw de stilte verbreekt.
Ik heb verder geen bezoek en ik ben alleen thuis, dus zal men zich kunnen indenken dat ik enige moeite heb mijn chocolademelk in mijn beker te houden.
Maar gelukkig herken ik de stem, en ook de manier van schreeuwen komt me bekend voor. Misschien is dat m’n redding – in elk geval slaag ik erin mijn kleren schoon te houden. Met een zucht zet ik mijn beker op tafel, en draai me om.
Juist. Het is m’n asbak, die weer eens tegen me staat te schreeuwen. Nee, ik ben niet gek. En ik heb ook niet gedronken. Althans, niets anders dan chocolademelk.
Jawel, ik moest maar ’s stoppen met roken. En mijn asbak helpt mij daarbij. Door afgrijselijk te gaan schreeuwen als ik m’n sigaret links in de asbak leg, en roggelend te gaan hoesten als ik ‘m rechts erin leg. Een erfenisje van een gezellig sinterklaasavondje bij m’n zus en twee neefjes.
Niet dat ik het onding ooit zou gebruiken. Ik ben daar gek. En misschien voelt het zich daarom wat achtergesteld. Want zo nu en dan gaat ‘ie spontaan af. Vooral ’s avonds, als ik langs de tafel loop en mijn schaduw de lichtsensor activeert.
Hij reageert namelijk op licht. Of beter gezegd: op donker. Als je een sigaret in één van de twee gleufjes legt, veroorzaakt een lichtsensor dat het monster gaat hoesten of schreeuwen. De asbak heeft daarbij ook nog de vorm van twee longen, dus de boodschap is duidelijk.
Maar nu, nu schreeuwt ‘ie dus terwijl ik gewoon op de bank zit. En het blijft niet bij één schreeuw. Er komt nog een schreeuw. En nog één.
Ik pak ‘m op, en het gedrocht begint non-stop te schreeuwen. Ik ga met m’n vinger over beide lichtsensoren, maar het heeft geen enkel effect. Het ding blijft schreeuwen, en het is echt afschuwelijk. ‘Made in China’, staat erop. Ooit wel eens een Chinees met longembolie horen schreeuwen? Ik kan je verzekeren, da’s géén pretje.
Ik raak in paniek. Er zit geen uitknop op. En de batterij zit afgesloten met een piepklein kruiskopschroefje. En ik heb geen piepklein kruiskopschroevendraaiertje.
Dit is de hel in huiskamerformaat.
Drie minuten later zit ik – met ietwat trillende handen – weer achter mijn beker warme chocolademelk.
De asbak ligt ondersteboven in een hoek van de kamer. Twee batterijen zijn ergens onder een kast gerold, ik weet niet precies waar. Ik kom ze wel weer tegen als ik op ga ruimen.
Het in tweeën gebroken batterijklepje ligt op tafel. En dat kruiskopschroefje is in geen velden of wegen meer te bekennen.
Heerlijk, wat een rust. Tijd voor een sigaretje.
Terwijl we stofnevels op een slordige afstand van zo’n 1400 lichtjaartjes onderzoeken op samenstelling en oorsprong, en we voor onze plezier oerknalletjes nabootsen in een tunneltje onder de grond, zijn we er met het milieu nog niet helemaal uit.
Dus leggen we dat probleem bij de dieren. We gaan schapen fokken die minder boeren, en geven koeien vaccins om minder winden te laten.
Want daar klaart de lucht van op. En het staat ook een stuk sjieker natuurlijk, zo’n groene, biologische koe die geen winden laat.
Nu nog hopen dat alles goed gaat met die deeltjesversneller. Zo’n tweede oerknal is toch óók niet echt goed voor het milieu.
Gelukkig zit die tunnel 100 meter onder de grond.
“Ja, het kan een beetje trekken ….”
Terwijl ik krampachtige pogingen doe om uit mijn lichaam te treden, vraag ik me ondertussen af wat ze daar nou precies mee bedoelt. Een beetje trekken.
Het voelt namelijk niet als ‘een beetje trekken’. Het voelt alsof ze met een vlijmscherpe breinaald mijn tandvlees aan het fileren is.
“Beetje gevoelig, zeker?”
Oh sorry. Ik zal stoppen met schreeuwen. Nee hoor, ga gerust verder. Niets aan de hand.
Het trekt alleen een beetje.
Vanaf nu ben ik niet langer bang voor de tandarts. Vanaf nu ben ik bang voor zijn vriendelijke, mooie, blonde assistente.
“Oh Irene, je bent een ontzettend leuk wijf, wist je dat!?”
Mijn collega, nog nahikkend van het lachen, slaat ruimhartig zijn arm om Irene heen en geeft haar een stevige knuffel. Irene lacht een beetje schaapachtig en wurmt zich los.
Niet al dat gefriemel.
Ze merkt dat haar droge, directe opmerkingen regelmatig lachsalvo’s van begeleiders en andere cliënten veroorzaken, maar het waarom ontgaat haar vaak een beetje.
Niet dat ze het erg vindt, dat lachen – integendeel. Ze ontdekt dat bepaalde opmerkingen een hoop vrolijkheid teweeg kunnen brengen, en herhaalt die opmerkingen dan te pas en te onpas, met een ondeugende glimlach op haar gezicht. Maar ja, na twintig keer is het niet meer leuk, en wordt er niet meer gelachen. Want het zijn nou juist die spontane, in een vreemde context geplaatste uitspraken, die onze kaakspieren in beroering brengen.
Helaas zijn op de groep de lachsalvo’s zeldzamer dan de uitingen van irritatie. Irene is een paar maanden geleden bij ons komen werken en de andere cliënten moeten nog steeds aan haar wennen. Want Irene is anders. Een beetje vreemd. Soms grappig. Maar meestal irritant.
Irene praat luid, vraagt de oren van je hoofd én ze zit voortdurend aan je spullen.
“WAT EEN MOOIE PEN! MAG IK DIE HEBBEN!?”
“WAAROM NIET!?”
“WAT GA JE ER MEE DOEN DAN!?”
“ALS JE KLAAR BENT MET SCHRIJVEN MAG IK HEM DAN HEBBEN!?”
“WAAROM NIET!?”
De laatste tijd gaat het wat beter. De cliënten beginnen te begrijpen dat Irene een meid is met een Chinese gebruiksaanwijzing. En dat ze het allemaal goed bedoelt. Maar het is wel nodig dat er een begeleider in de buurt is om de sociale interacties een beetje in goede banen te leiden. Of beter gezegd: op tijd af te kappen.
Voor Irene zal het allemaal een zorg zijn. Die pakt gewoon haar koffie, en duwt daarbij de rij wachtenden voor het koffiezetapparaat opzij. Wat doen al die mensen hier, zo kan ik toch niet bij de koffie? En als ze een koekje wil, pakt ze de koekjestrommel. Oók als iemand anders die al vastheeft. Waarom begint Anna opeens zo tegen me te schreeuwen?
“SORRY, ANNA! SORRY HOOR!”
De mensen om je heen doen raar, ze zeggen dingen die ze niet menen, ze stellen je voortdurend voor raadsels en ze worden op de meest onverwachte momenten boos.
Maar als je ’sorry’ zegt, komt het meestal weer goed.
Op de camping, bij de snackcorner.
Dame 1: “Wisselvallig weertje he!”
Dame 2: “Ja, ik heb m’n paraplu meegenomen maar ik had ‘m geloof ik net zo goed in de tent kunnen laten liggen, haha!”
Dame 1: “Ja hahaha, inderdaad!”
Dame 2: “Maar we mogen niet klagen.”
Dame 1: “Wat u zegt, het is heerlijk zo.”
Dame 2: “Precies. Beetje regen, beetje zon.”
Dame 1: “Alleen met het drogen van de was is het wat lastig.”
Dame 2: “Och meid ja, het is geen beginnen aan, hahaha!”
Dame 1: “Heb je net alles buiten de tent te drogen, ja hoor, gaat het weer regenen. Ik ben vandaag de héle dag bezig geweest – was buiten, was binnen, was buiten, was binnen … vreselijk gewoon!”
Dame 2: “Haha, ja ik weet er alles van! Oh, daar is m’n patat, nou prettige avond hoor.”
Dame 1: “Ja, eet smakelijk.”
Soms kunnen dingen net even iets anders lopen dan je je had voorgesteld. Zoals deze ochtend, als de zon schijnt en we besluiten met z’n vieren erop uit te gaan.
Vanaf onze trekkershut is het zo’n zes kilometer fietsen naar de Lemelerberg, een adembenemend mooi natuurgebied waar we heerlijk kunnen wandelen met dit prachtige weer.
Onder het fietsen naar onze bestemming verdwijnt langzaam de zon. Het kan de pret niet drukken: de zachte, warme miezerregen maakt het nevelige uitzicht over het heuvelachtige landschap alleen maar meer idyllisch. En m’n zus en neefjes hebben hun regenjassen bij zich, en ik m’n paraplu, dus als het nodig is zijn we op alles voorbereid. Onderweg nog snel even wat krentebollen en ander proviand halen bij de plaatselijke Super. We zijn er helemaal klaar voor.
We zetten onze fietsen neer bij het begin van de wandelroute, als het iets harder begint te regenen. Oh, we zijn trouwens onze rugzak vergeten. Nou ja, dan moeten we onze drinkflesjes, krentenbollen en mueslirepen maar even zo in onze hand houden. Wel wat onhandig met die paraplu, maar ja. Oh, nog even opletten – we moeten de blauwe wandelroute volgen. Volgens het bordje is die twee kilometer lang en zullen we over een minuut of dertig weer bij onze fietsen terug zijn.
Even later stort de regen met bakken tegelijk uit de hemel. Mijn paraplu werkt averechts, want die doseert steeds een ferme straal water met vernuftige precisie op mijn korte broek, blote kuiten en inmiddels soppende schoenen. Dus die kan net zo goed weer dicht.
En als je denkt dat je dan zo’n beetje alles gehad hebt, komen de steekvliegen. Niet een paar die toevallig een beetje gezellig rondzwieren, maar hele zwermen die direct tot de aanval overgaan. Tja. Gietende regen, verlaten heidevelden: dan heb je snel honger, als steekvlieg.
Soppend, mopperend en snel krentenbollen naar binnen werkend – dan heb je tenminste je handen vrij om die vliegen weg te slaan – lopen we in soldatenmars van het ene blauwe paaltje naar het andere. Dertig minuten? Die twee kilometer doen we in een kwartiertje, geen probleem. Het adembenemende uitzicht trekt adembenemend snel aan ons voorbij.
Terug bij de fietsen gekomen is er nog een keuze te maken: blijven we hier even onder dit afdakje wachten tot het wat minder hard regent of trekken we direct een ferm sprintje naar huis? Laten we dat laatste maar doen. “Natter kunnen we toch niet worden.”
Oh ja hoor, dat kan best. Doorweekt en verkleumd komen we zo’n drie kwartier later weer bij onze trekkershut aan. En terwijl we ons binnen omkleden begint buiten de zon te schijnen.
Tiago vat het uitstapje nog even samen. “Wie is het met mij eens, dat het ondanks de regen, toch een heel gezellige dag was?”
Natuurlijk heeft hij meer dan gelijk. Maar op dit moment heb ik even geen zin om dat toe te geven.
“X.Y.Z., met Anja!”.
“Eh ja … oh .. hallo, met Frans. Eh … met Frans, uit … eh … uw nummer stond op mijn nummermelder.”
“Oh ja, dat kan. Dan heeft één van mijn collega’s u gebeld.”
Korte stilte.
“Dat ging over de rente van uw [blabla] polis.”
“Over mijn wat? Oh .. eh .. is er iets aan de hand?”
“Nou meneer (zucht, ik zal het wel even uitleggen), wij kunnen u een 5 procent lagere rente aanbieden.”
Weer een stilte.
“Oh nou, daar heb ik eigenlijk niet zo’n interesse in, als ik heel eer…”
“Prima, ik zal het doorgeven. Prettige avond verder.”
“Ja … eh … prettige avond.”
Klik.
Een mooie stem hebben is een zegen. Goed articuleren een kunst. Kun je beiden combineren, dan luisteren mensen graag naar je.
Als mensen aan zangtraining doen, hoor je dat vaak al aan hun manier van praten. Tenminste, dat lijkt sterk het geval bij een kennis van mij. Als zij praat, spreekt zij niet alleen perfect elke letter van een woord uit, maar ook valt er qua intonatie, klank en ademhaling gewoonweg geen speld tussen te krijgen. Ze stottert nooit, verspreekt zich niet en hapt nooit naar lucht. Irritant bijna, zo perfect. Ik weet het zeker: als zij op zondagmorgen – na een avondje doorzakken – met een kater wakker wordt, klinken haar eerste woorden nog steeds alsof ze ieder moment in een aria kan losbarsten.
Zelf kan ik zingen tot de buren de politie bellen, maar veel zal het niet uithalen; ik heb al van kinds af aan de neiging binnensmonds te praten en lettergrepen weg te slikken. En mijn ademhaling deugt niet. Als ik bijvoorbeeld mijn antwoordapparaat moet inspreken, doe ik dat een stuk of 25 keer opnieuw. Reden: ik krijg ‘au-to-ma-tisch-ant-woord-ap-pa-raat‘ mijn strot niet uit. Echt waar. Het lukt gewoon niet.
[PIEP]
“Hallo, dit is het automatisch antutapparaat van Frans. Ik ben er niet, maar als je na …”
[PIEP]
“Goeiedag. Je bent verbonden met het automatisch antwoordappaat van Frans. Momenteel ben ik niet ……”
[PIEP]
“Hoi! Dit is het anntwwoooorrdappaaarrraaat van Frans! Spreek na de toon …”
[PIEP]
“Hoi met Frans! Ik ben er niet! Spreek je bericht in!”
Als je praat, wil je natuurlijk begrepen worden. En goed articuleren is een kunst, maar goed verstaan is dat zeker ook.
Dat blijkt maar weer als ik op mijn werk de gesprekken probeer te volgen tussen verschillende cliënten. Ik kan me dan oprecht verbazen. Over de kunst van het slecht articuleren, maar vooral over de kunst van het toch goed verstaan.
“I’b noh eeh nuw hooie lafflam itte getan.”
“Oh egtaar? Ikkok!”
“Heiokk? Heihettok meffiffele stah?”
“Neeligtuis. Zallum ogge jeejeemen.”
“Olluk. Ihhib ogh uh fiffele fahmei moehoe meh ei hele fip.”
“Oh, nee kippallee jub lauwe.”
“Oh, uh wlouwe. Hammer … hihihi.”
“Ja! Innahaat, hahaha!”
Iemand goed kunnen verstaan is overigens nog steeds geen garantie voor een wederkerig gesprek. Je moet natuurlijk ook goed kunnen luisteren. En ook dat is een kunst.
“Tante Ans is jarig vandaag.”
“Ik ga vanavond barbequen, bij oom Kees en tante Lia.”
“Nee, t… t… tante Ans. Tante Ans is jarig.”
“Jarig? Nee hoor, zomaar. Barbequen. Heb er wel zin in.”
“Ja, héél veel zin in. Lekker taart eten.”
“Nee, geen taart. Vlees. Hamburgers enzo. En worstjes.”
“Ja worstjes … en b… b… blokjes kaas. Ik mag lekker opblijven tot t… twaalf uur.”
“Misschien. Maar ik moet morgen wel werken natuurlijk.”
“Gelukkig niet. Morgen lekker vrij.”
“Vrij? Nee, was ‘t maar waar. Ik moet gewoon werken hoor.”
“Tante Ans is nu d… d… drieënvijftig.”
“Oh leuk. Als het nou maar niet gaat regenen vanavond.”
“Vanavond f… f… feest.”
“Ja vanavond, ja. Barbequen.”
Een verstandelijke beperking, een snufje Down bij de één en een wolkje ADHD bij de ander. Deze dames voelen zich in elk geval altijd begrepen.
Lijkt me heerlijk.